Uitvaartgeschiedenis

Iedereen krijgt met de dood te maken. Vroeger en nu, maar ook straks in de toekomst. De manier waarop mensen met dood en uitvaart omgaan, is in de afgelopen eeuwen behoorlijk veranderd. In de middeleeuwen wilde men graag een graf in de kerk. Het liefst zelfs vlakbij het altaar of het koor om zo dicht mogelijk bij God te zijn. In 1827 kwam er vanwege hygiënische redenen een verbod op het begraven in kerken. 

De gilden (belangenverenigingen van vakbroeders) of dorpsgenoten verzorgden de uitvaart in de 17e en 18e eeuw. Om de kosten op te vangen, hadden zij speciale fondsen die ook wel ‘dodenbussen’ werden genoemd. Dit zijn eigenlijk de voorlopers van de uitvaartverzekering. Toen de gilden verdwenen, bleven de dodenbussen bestaan. Toch was het geld daaruit vaak niet voldoende voor een begrafenis. Daarom ontstonden steeds meer aparte begrafenisfondsen. Zo werd ook in 1923 de ‘Apeldoornsche Begrafenisvereeniging’ opgericht. Deze vereniging werd later een stichting en in 1955 veranderde de naam in ‘Monuta Stichting’. 

Cremeren kwam in deze jaren weinig voor en was officieel zelfs verboden. De Begrafeniswet van 1827 stelde dat men overledenen moest begraven. Maar crematies werden wel gedoogd, omdat er in de Begrafeniswet geen strafrechtelijk sancties werden genoemd. In 1968 werd cremeren gelijkgesteld aan begraven. 

Op dit moment kiest ongeveer de helft van de mensen voor begraven en de andere helft voor cremeren. Behalve die keuze zijn er tegenwoordig nog veel meer mogelijkheden om de uitvaart vorm te geven. Bovendien denken steeds meer mensen na over hun persoonlijke uitvaartwensen. De uitvaart is het begin van het rouwverwerkingsproces. Daarom zijn deze persoonlijk wensen belangrijk en helpt Monuta je graag om hiermee een passend afscheid te creëren.