Column: "Wat een raar mens ben ik eigenlijk..."

Door Rob van Tilburg, ritueelbegeleider bij afscheid bij Monuta Tom van Dijk

Op een vrijdagochtend eind januari 2017 krijg ik een mail van Liesbeth*): “Goedemorgen Rob, mijn zus Helma is in het eindstadium van haar COPD. Begin januari heeft ze in het ziekenhuis gelegen, maar daar zijn ze uitbehandeld. Helma wil actieve euthanasie en heeft daar toestemming voor gekregen. Mijn verzoek aan jou is: wil jij ons begeleiden naar haar dood, tijdens de crematiedienst en eventueel daarna?”. Nog geen week later zitten Helma, Liesbeth en ik samen rond de tafel in de huiskamer van Liesbeth, waar we enkele uren praten over het leven van Helma en over haar ziekte. Over hoe het allemaal begon.

Helma was 50 jaar toen zij in 2003 kanker kreeg. In die tijd werkte ze nog. Ruim twee jaar later werd Helma genezen verklaard en kon zij volgens het UWV en haar werkgever ook gewoon weer voor 40 uur in de week aan de slag. Want er was toch niets meer met haar aan de hand? In werkelijkheid was Helma nog maar een schaduw van zichzelf. Haar geheugen werd steeds slechter. Bovendien had ze last van concentratieproblemen en extreme vermoeidheid. Het beetje energie dat Helma nog had, ging op aan het door weer en wind met het openbaar vervoer heen en weer reizen, van huis naar het werk en omgekeerd. Hierdoor liep Helma ook nog eens tot drie keer toe een longontsteking op. Pas vijf jaar later, in 2010, greep iemand van Personeelszaken in en regelde voor Helma dat ze niet meer hoefde te werken. Hierdoor viel er een enorme last van haar schouders. Ineens mocht ze ‘gewoon’ ziek zijn.

Begin 2013 kreeg Helma een herseninfarct, waardoor ze nog meer last van haar longen kreeg en het nog benauwder had. Sindsdien ging het gaandeweg steeds slechter met haar. Ook eten en drinken werd steeds moeilijker. In januari 2017 volgde de opname in het ziekenhuis waar Liesbeth in haar mail aan mij aan refereerde. Het mocht echter niet baten. Helma’s ademnood werd alleen maar groter. Ze had geen puf meer en kon niet eens meer op haar benen blijven staan. Na één week ziekenhuis is Helma met Liesbeth naar huis gegaan. De geborgenheid en het gemeukel van haar zus deed Helma nog enigszins goed, maar de uitzichtloze situatie dwong haar uiteindelijk toch tot een drastisch besluit: zo wilde Helma niet verder leven. Voor haarzelf niet, maar ook niet voor Liesbeth.

Toen ik Helma sprak, gaf zij aan dat ze zich erbij neergelegd had. Alles stuurde als het ware deze kant op. Dus, moest het blijkbaar zo zijn en was het voor haar goed. Na het prikken van ‘de dag’ was het uitzichtloze er voor Helma ook meteen af. Dat was al een grote winst. Met haar familie en vrienden leefde Helma naar ‘de dag’ toe en vierde met hen zelfs een week van tevoren nog een ‘feestje’. Helma wilde graag alle bijzondere momenten van het komende jaar alvast vooruit vieren. Alsof het carnaval, Pasen, Tilburg kermis en Kerst op één dag was.

De avond voor haar overlijden heb ik met Helma nog de laatste punten en komma’s in de tekst over haar leven goed gezet. Tom, die Helma en Liesbeth als uitvaartverzorger hielp met de voorbereidingen van de uitvaart, was er die avond ook bij. Helma bleef maar praten, terwijl wij ons wat ongemakkelijk begonnen te voelen bij het idee dat wij haar laatste momenten opsoupeerden.

Op Valentijnsdag, de dag van de liefde, brandden wij een kaarsje, terwijl Helma de overgang maakte van onze aardse wereld hier naar die andere wereld daarboven (of waar deze ook moge zijn). Voor even was Helma, zoals zij het zelf zag, een bliksemschicht. Een verbinding tussen twee werelden. Vlak daarvoor was haar lievelingskat Gizmo bij haar op bed gesprongen. Hij was daar blijven liggen totdat Helma naar ons uitvaartcentrum werd gebracht. Alsof hij over haar waakte.

Achteraf schreef Liesbeth me hoe bijzonder zij het had gevonden dat we allemaal samen, inclusief Tom en ik, naar Helma’s dood toe hebben kunnen leven. En dat was het ook… heel bijzonder. Meestal spreken wij alleen de nabestaanden en niet degene wiens uitvaart wij verzorgen.

Terugkijkend op haar leven had Helma gezegd: ”Wat een raar mens ben ik eigenlijk…”. Maar volgens mij viel dat reuze mee. Of, we zijn eigenlijk allemaal een beetje raar.

*) Deze column is uit het leven gegrepen. Uit respect voor de privacy van de overledene en haar nabestaanden zijn de namen echter gefingeerd.